maandag 29 april 2013

Alles van waarde is weerloos: ‘value is in the eyes of the beholder ‘


Onlangs was ik bij een discussie in een gemeenteraad over de waarderingsmethodiek van het gemeentelijk monumentenbeleid. Onderwerp van discussie was een door de gemeente tot gemeentelijk monument bestempeld, vervallen gebouw. Tot aan de Raad van State was de eigenaar gegaan om de monumentenstatus  te voorkomen, omdat dat volgens hem de commerciĆ«le ontwikkeling van het bouwproject ernstig zou fnuiken. De Raad van State vond de gemeentelijk vastgestelde systematiek van waardering met een puntensysteem passabel, maar had moeite met de opvatting van de gemeente dat dit gebouw goed te restaureren was. Dat moest eerst maar eens worden aangetoond. Aldus geschiedde. Hierop nam de eigenaar een eigen adviesbureau in de arm, en je raadt de uitkomst al: een veel lagere puntenscore. Wat hierna kwam was het interessantst: sommige raadsleden gebruikten de ontstane onzekerheid om te beklemtonen dat het gebouw gerestaureerd moest worden; andere vonden juist dat er door de patstelling maar eens opnieuw met de eigenaar moest worden onderhandeld. Het puntensysteem is in handen van leken en agnosten een gevaarlijk instrument. Maar gebruikt door ‘deskundigen’ verliest het zijn betekenis direct als die deskundigen er verschillende opinies op nahouden.
Naar aanleiding hiervan  moest ik aan andere gevallen denken waarbij opdrachtgevers (overheden, maar ook particuliere stichtingen) ‘objectief’ bepaalde problemen door externe bureaus in kaart willen laten brengen om daarvoor oplossingen te bedenken.  Ook de waardebepaling van roerende collecties kan namelijk in zo’n scenario terecht komen wanneer overheden zich bijvoorbeeld willen ontdoen van hun verplichting om daarvoor als eigenaar en goed huisvader te zorgen.[1]  Meestal omdat die zorg te duur wordt, of zelfs omdat overheden vinden dat ze daar de deskundigheid niet voor in huis hebben, noch hoeven te hebben.  Ook het standpunt dat gemeenten eigenlijk geen plichten en taken meer zouden moeten hebben bij het beheer van museumcollecties wint meer en meer terrein, zeker wanneer die collecties geen band hebben met ‘Blut und Boden’. Tot slot is er ook nog de druistige, nieuwe museumdirecteur die collecties wil afstoten in het kader van nieuw collectiebeleid.
Toepassing van een soort puntensysteem, of van de systematiek van waardestelling voor roerend erfgoed zoals die momenteel door de RCE wordt ontwikkeld (volgens planning gereed in december 2012 http://www.cultureelerfgoed.nl/projecten/methodiekontwikkeling-waardering ) ligt dan voor de hand en kan zeker oplossingen bieden, maar bergt ook risico's in zich. Onder andere het gegeven dat het middel van ‘democratische waardering’ (iedereen kan de systematiek toepassen) in handen komt van hen die er baat bij hebben die waarde te verlagen of juist te verhogen. Gewoon een kwestie van loven en bieden op de vrije markt, zou je zeggen. Maar hiermee is de systematiek zelf onderdeel geworden van een breder, maatschappelijk waarderingsproces, terwijl hij juist objectieve duidelijkheid en houvast moest geven. Zo is de systematiek niet bedoeld; hij maakt het nu juist ingewikkelder om tot een oplossing te komen, hoewel de ermee gepaard gaande discussies in feite de belangrijkste winst opleveren. De wens tot waardestelling van collecties is daarmee – een beetje filosofisch misschien – het eerste teken dat de waarde die er steeds aan gegeven werd niet meer algemeen aanvaard wordt. Ingaan op die wens, met bijvoorbeeld toepassing van puntensystemen, zal leiden tot het inzicht dat de uitkomsten ervan de wereld alleen nog maar ingewikkelder maken dan hij daarvoor al leek te zijn.



[1] Erg actueel nu het Rijk vele Rijksmonumenten wil afstoten en daarvoor nieuwe eigenaren zoekt.