vrijdag 30 maart 2012

De Matthäus Passion in de Grote Kerk van Edam; eigenlijk niets bijzonders….

De laatste jaren zijn er veel uitvoeringen van de Matthäus Passion van Johann Seb. Bach (bwv 244); het is een echte hit geworden. En het succes blijft lang niet alleen maar beperkt tot de originele versie en alle denkbare varianten daarvan; er zijn ook hertalingen in het Nederlands (en daar zelfs weer een vertaling in het Fries van), jazz-uitvoeringen en meezingprojecten. Wanneer je de Bach-agenda bestudeert (www.bachagenda.nl) zie je in de passietijd de enorme hausse aan uitvoeringen, ook in Noord-Holland. Daarbij denk je natuurlijk eerst aan de gerenommeerde uitvoering in Naarden, maar die staat er nog niet eens op. Misschien wel een weloverwogen beslissing, om ook in de communicatie exclusief te zijn? Waarom pr, als de kerk toch wel vol zit? Verder is de verspreiding over de provincie groot: van Alkmaar tot Hilversum, van IJmuiden tot Enkhuizen, van Laren, via Amsterdam tot Purmerend en zelfs Westbeemster. Er zijn ook ‘Johannessen’, in Monnickendam bijvoorbeeld, en in Amstelveen, en Ouderkerk aan de Amstel en in Amsterdam natuurlijk ook.
In navolging van de Nederlandse Bachvereniging zijn organisaties ook op het idee gekomen om het niet bij één uitvoering te laten; zo treedt het Toonkunstkoor met de Matthäus op in Haarlem, Alkmaar en Amsterdam, en het Holland Boys Choir van Pieter Jan Leusink maakt er een nationale tournee van, met uitvoeringen op een twintigtal locaties. Omwille van kostenbeheersing, efficiency en verspreiding net zo legitiem als de verkoop van klassieke hits door het Kruidvat; er is kennelijk vraag, dus voldoe je daar aan.

Tegen deze achtergrond is onze uitvoering van de Matthäus Passion die wij jaarlijks in de Grote Kerk van Edam organiseren eigenlijk helemaal niet zo bijzonder. Het is er één van de vele, kun je zeggen. Zonder artistiek of qua uitvoeringspraktijk schokkende gebeurtenissen of revolutionair vernieuwende opvattingen, en zonder hele beroemde namen onder solisten of bezoekers. Er is ook nog nooit een recensent van een groot, landelijk dagblad geweest. Vinden we niet erg, we hebben liever pr vóór de uitvoering dan erna. Eén keer is het, na lang aandringen, gelukt om in de agenda van NRC Handelsblad te geraken. Maar die publiciteit van één dag, donderdag, voorafgaand aan de uitvoering op Goede Vrijdag is niet effectief. Kruidvat-technieken vragen om huis-aan-huisbladen, en daar is meestal nog wel ruimte voor ons persbericht, als we tenminste ook af en toe willen adverteren.

Waarom dan toch zo’n uitvoering willen organiseren? Om die vraag te beantwoorden eerst wat zakelijke gegevens. Edam had al een traditie van de Matthäus tussen 1945 en 1963. In dat laatste jaar startte echter de langdurige restauratie van de kerk, waardoor de continuïteit van de uitvoering verloren ging. Het begon weer in 1998, en daarna zonder onderbrekingen van 2001 tot en met nu. Er is een Stichting Matthäus Passion Edam; er is een amateurkoor van hoog niveau, het Matthäus Koor Edam, er zijn solisten en een gedreven dirigent die ieder jaar weer willen terugkomen en er is een orkest, The Northern Consort, dat speelt op historische instrumenten. Dan hebben we de Grote of St. Nicolaaskerk, een enorme driebeukige hallenkerk uit het begin van de 15e eeuw van 87 bij 33 meter. Er mogen van de brandweer slechts 900 mensen in, en die zijn er ook ieder jaar. Het gebouw heeft een prachtige akoestiek, het geluid van stemmen en instrumenten draagt ver, maar zonder galm. Er heerst een bijzondere intimiteit. Veel bezoekers kiezen bewust voor een Matthäus-uitvoering in een kerk omdat ze dat passend vinden bij hun idee van Paasviering. Wij als organisatie bidden, zeker bij een vroege paasdatum, ook tot de weergoden: met een dringende wens voor mild voorjaarsweer, om de stookkosten van deze kerk in toom te kunnen houden.

Dat brengt ons op de omzet, waarbij ons uitgangspunt is dat we laagdrempelig willen zijn, geen ‘winst’ willen maken en zo min mogelijk vrijkaarten weggeven. Op een omzet van circa € 42.000,- spenderen we ongeveer 70 procent aan het koor en aan de honoraria voor solisten, directie en orkest. Per minuut kost onze uitvoering € 235,-. Overige grotere posten zijn het drukwerk en de huur van de kerk, podium en stoelen en de verzekering. Catering wordt vanuit de kerk door vrijwilligers verzorgd, en de opbrengsten ervan zijn voor de kerk.

Aan inkomsten genereren we 62 procent van de omzet aan entreegelden. Daarnaast bestaat 15 procent van de inkomsten uit ondersteuning door lokale en regionale bedrijven. Het overige tekort kan gedekt worden met subsidie van de gemeente Edam-Volendam en met substantiële bijdragen en toezeggingen van lokale en landelijke fondsen. De entreegelden willen we zo laag mogelijk houden. Wie de uitvoering financieel extra wil ondersteunen heeft recht op een gereserveerde plaats. We begroten met een tekort, omdat de gemeente alleen in het tekort wil subsidiëren. Er is een legertje van 20 vrijwilligers dat zich bezig houdt met podiumopbouw, stoelen, verlichting, kaartverkoop onder de koorleden, catering voor uitvoerenden, ontvangst en publieksbegeleiding. Binnen het organiserend bestuur van de Stichting Matthäus Passion zijn de portefeuilles verdeeld: sponsoring en subsidies liggen bij voorzitter en secretaris, de kaartverkoop en de financiën bij de penningmeester, de begeleiding van vrijwilligers en coördinatie van uitvoerende werkzaamheden bij een apart bestuurslid evenals de inhoudelijke programmering, contracten met uitvoerenden en de pr (bij ondergetekende). Het koor beschikt over een stuurgroep die zich bezig houdt met de organisatie van repetities, audities en de samenstelling van het koor.

Vanwege het succes hebben we overwogen om een tweede uitvoering te organiseren; dat scheelt in de kosten en er is veel vraag. De laatste jaren was de kerk twee weken van tevoren al uitverkocht. We hebben daarom publieksonderzoek gedaan, en we hebben de stakeholders gevraagd wat zij vonden van een tweede uitvoering. De reacties waren duidelijk: de uitvoering is uniek en van grote muzikale kwaliteit. Dag - Goede Vrijdag - en plaats - Grote Kerk van Edam - worden met de Matthäus Passion geassocieerd. Een tweede uitvoering beconcurreert de eerste en enige echte: niet doen dus.

Tenslotte profiteert ook onze organisatie van nieuwe technieken: via de website (www.matthaus-passion.com) kun je kaartjes kopen; een barcode op een zelf geprint a-4tje is het uniek entreebewijs. We leren daarmee ook ons publiek beter kennen. Ieder jaar wordt de groep belangstellenden via e-mail tijdig op de hoogte gebracht van de komende uitvoering.

Niets bijzonders dus, want wat in Edam gebeurt, gebeurt overal in Nederland, en niet alleen bij het organiseren van concerten. Waarom ben ik, en velen met mij, dan toch zo enthousiast om hier mee bezig te zijn? Omdat het resultaat een inspirerende uitvoering is van een prachtig oratoriumwerk in een monumentale kerk voor een muisstil en dankbaar publiek. The proof of the pudding is in the eating: kom zelf maar eens proberen, velen gingen u voor.

Ga naar http://www.matthaus-passion.com/ voor meer informatie over de uitvoering.
De Matthäus Passion Edam is ook op Facebook: http://www.facebook.com/MatthausPassionEdam

donderdag 2 februari 2012

zaken zijn zaken

Een van mijn eerste activiteiten voor de musea in Westfriesland en de Noordkop was in 1991 een cursus marketing en pr organiseren. Musea verzetten zich daar tegen de opvatting van mensen uit het bedrijfsleven en de recreatieve sector dat ook musea een ‘product’ verkopen: Net zoals Coca Cola zou je ook als museum maar eens moeten proberen je aanbod te vermarkten, zo was de uitdagende stelling. Musea brachten daar tegenin dat ze als gesubsidieerde instelling geen echte marktpartij waren en dat je hun producten niet kon vergelijken met limonade of chocola. Ze vonden het ook heel moeilijk om te bepalen wie nu eigenlijk de opdrachtgever was van hun activiteiten, en wat hun missie of usp was. Maar de koudwatervrees verdween toch al snel als je met de museummedewerkers eens naging welke producten (nu: ‘businesspropositie’) een museum zoal in de aanbieding heeft: tentoonstellingen, beheer en behoud van de collecties, een leerzaam dagje uit, lesprogramma’s, een goed parkeerterrein en schone wc’s, een sfeervolle zaal te huur, een inspirerende ervaring. Ook gemeenten waren snel van begrip: budgetfinanciering of prestatieafspraken deden hun intree; en de aanvankelijke overgevoeligheid van musea dat hun overheid zich ging bemoeien met hun interne zaken maakte al snel plaats voor zakelijke afspraken.


Daar kwam later bij dat musea zich realiseerden dat zij in de vrijetijdsmarkt opereren. Op zich al het resultaat van marktgericht denken in kansen, bedreigingen en van een sterkte-zwakteanalyse. Dat bracht sommige er echter toe om hun instelling ook meer en meer te willen exploiteren als een attractie, hetgeen ze in ongelijke strijd bracht met conculega’s en met Duindigt en de Efteling. Samen sterk, dachten daarop een aantal musea. En gezamenlijk eisten zij hun plaats op in het kader van city-marketing, de ontwikkeling en vermarkting van toeristische en recreatieve producten of cultuurparticipatie.

Dat vereiste ook dat musea de interne organisatie meer gingen richten op een nieuw soort zakelijkheid, waarbij marketing, communicatie, pr, educatie en conceptontwikkeling van exposities zich ontwikkelden als nieuwe stromen in de organisatie: vrij snel maakte de inhoudelijke, gedreven directeur plaats voor de zakelijk ingestelde manager, aanvankelijk vooral afkomstig uit de omroepwereld. Of er kwam een zakelijk directeur bij. De positie van de conservator binnen de organisatie veranderde navenant snel: zijn inhoudelijke expertise alleen kon het museum allang niet meer redden en kennis over de collectie was ook ad hoc in te huren.

Ook de verzelfstandiging van musea zou, maar nu volgens de terugtredende overheden, de instellingen meer gehard maken voor de ontmoetingen op de vrije markt. En dat zou hun meer, en eigen, inkomsten brengen waarover ze zelf mochten beschikken. Het leidde echter ook tot een verregaande bemoeienis van de overheid met de voorwaarden van bekostiging en bijvoorbeeld tot vele uren lobbytijd van museummedewerkers die goede huisvesting en nieuwbouw mogelijk moesten maken.

Kwaliteitszorg is ook een, oorspronkelijk uit het bedrijfsleven afkomstig, begrip waarmee musea willen proberen om hun ‘productie’ te analyseren en te beschrijven, hun processen en protocollen vast te leggen en intern en extern transparant te zijn voor hun publiek door middel van keurmerken, certificatie of bezoekersvoorwaarden. Het heeft tot veel onderzoek, visitaties en zelfevaluatie geleid, dat is zeker. En gelukkig nooit tot faillissement, of tot het eruit trekken van de stekker.

Cultureel ondernemerschap is een begrip dat nu over ieders lip gaat. Ook al was er niet zo streng op cultuur bezuinigd, dan nog had de cultuursector zich eerder moeten realiseren dat ze meer geld zelf moet gaan verdienen, is de boodschap. Businessmodelling is hierbij de nieuwe loot aan de tak van het marktdenken. Je zult eerst heel streng voor jezelf je businesspropositie moeten formuleren. Je moet weten voor wie, en hoe, en of je museum daarop ingericht is. Want buisinessmodelling is meer dan alleen maar het inrichten of vinden van een nieuw verdienmodel. Het is een attitude, een instelling die iedereen in het museum ervoor doet gaan. Op http://www.bmice.nl/ kun je lezen welke acht stappen je eerst moet maken om een volwaardig cultureel ondernemer te worden.

In dit kader valt tenslotte ook de term ‘culture of asking’: instellingen moeten zich weten te richten op mecenassen en specifieke publieksgroepen die het draagvlak (en de verdiensten) voor het museum kunnen vergroten. Daarbij komt dan ‘crowdfunding’, dat ik associeer met collectes en loterij (http://www.cultuurinbeeld2011.nl/themas.php). Ik krijg het gevoel dat de cirkel weer bijna rond is: musea kregen 25 jaar geleden immers vooral overheidssubsidie als ze maatschappelijk draagvlak hadden. Daar besliste parlement, gedeputeerde staten of de gemeenteraad over. En loterijen zijn inmiddels een goede tweede geworden bij de structurele financiële ondersteuning van musea.

Hoe dan ook: aan marktgerichtheid en bereidheid van musea om in vraag en aanbod cultureel zaken te doen is sinds 1991 geen gebrek, zo lijkt het.

Zie voor overige blogs ook http://www.jansparreboomerfgoedadvies.nl/

Juni 2012 verschijnt nummer 37 van Museumpeil dat geheel gewijd is aan cultureel ondernemerschap.

donderdag 22 december 2011

Stapelen in het MAS; verdieping per verdieping

Met Cultuurwerk, adviseurs op de cultuurmarkt, ging ik een dagje mee op excursie naar het Museum aan de Stroom (MAS) in Antwerpen. Dit nieuwe museum is ontstaan uit de collecties van het voormalige Etnografisch Museum, en uit die van het Nationaal Scheepvaartmuseum en het Volkskundemuseum. Ook een deel van de Collectie Vleeshuis is in de presentatie opgenomen. In totaal bevat de collectie ruim 470.000 objecten. In 2012 staat ook nog de opening gepland van het nieuwe stedelijke museum Red Star Line I People on the Move, gevestigd in de gebouwen van de Red Star Line, die tussen 1874 en 1934 meer dan twee miljoen passagiers naar Amerika en Canada bracht.
Tot 30 december 2012 toont het MAS de tentoonstelling ‘Meesterwerken in het MAS, Vijf eeuwen beeld in Antwerpen’. Hierin zijn veel topstukken te zien uit de Antwerpse colecties, met onder meer belangrijk werk van de vroege Vlaamse primitieven, Jan van Eyck en Jean Fouquet. Deze tentoonstelling steunt voor een belangrijk deel op bruiklenen uit het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, het Museum voor Hedendaagse Kunst en Museum Plantin-Moretus / Prentenkabinet.

Mijn persoonlijke indrukken zijn divers, min of meer gelijkvormig aan de grote verscheidenheid van collecties en presentaties. Allereerst de thema’s: boven het ‘Kijkdepot’ op verdieping twee (in Nederland zouden we zeggen ‘open depot’, maar de Vlaamse term is beter: je mag wel in het depot, maar je mag alleen door tralies en ruiten kijken) zijn letterlijk per verdieping thema’s gestapeld: na de tijdelijke exposities op drie volgen ‘machtsvertoon’ op vier, ‘wereldstad’ op vijf, ‘wereldhaven’ op zes en op zeven en acht ‘leven en dood’. Het is een poging om de smeltkroes Antwerpen historisch, cultureel en technisch te tonen en te duiden in al zijn bonte verscheidenheid. Boven elkaar, maar ook naast elkaar. Het voor mij meest in het oog springende element hiervan is verdieping vier, waar westers (lees: Antwerps) vertoon en symbolen van wereldlijke en godsdienstige macht tijdens de Opstand worden geplaatst naast machtssymbolen uit Afrika, Japan en Polynesië. Dat geeft een vreemde sensatie, al was het maar omdat je merkt dat je je eerst over je Eurocentrische houding heen moet zetten. Dat lukte mij niet helemaal: Antwerpen trok meer dan Polynesië en een sierharnas zegt me toch meer dan een collectie Indonesische wapens. Het roept wel op tot relativeren, dat wel. De inleidende audio-visuele presentatie op dit thema is indringend (en erg luid!).
De volgende lagen van de stapel tonen de groei van Antwerpen en haar haven. Hierin is ook getracht om niet-westers vergelijkingsmateriaal in het thema te betrekken; iets te geforceerd als je het mij vraagt. Hoe het Kasena-volk in Ghana zijn woningen bouwt is interessant op zich. Maar hoe ik mijn inzicht daarin moet gebruiken bij het waarderen en bewonderen van het grandioze gezicht op Antwerpen, een aquarel op papier van 16 meter lang, die Antwerpens groei als wereldstad verbeeldt, lukt mij niet, en vele anderen met mij, denk ik. De opstelling op zes, ‘Wereldhaven’, bevat vooral de onafzienbare en rijke stoet van scheepsmodellen, chronologisch en typologisch gerangschikt, met - in niet voor iedereen opvallende lades daaronder - een keur aan prenten, kaarten en tekeningen. Hier geen uitheemse scheepstypen meer, ook geen voorbeelden van ingevoerde producten.
Op zeven en acht is het thema ‘leven en dood’, waarbij de collectie van Paul en Dora Janssens-Arts is opgenomen. Het is mij niet gelukt hier een aansprekend verband met Antwerpen te leggen, anders dan het besef dat er in een wereldhaven gemakkelijk een ethnografische collectie met godsdienstige en rituele voorwerpen kan ontstaan.Een verband dat in de tentoonstelling ‘Vijf eeuwen beeld in Antwerpen’ (op drie) wel gelegd is met de inrichting van een zaal met 17e en 18e eeuwse objecten uit rariteitenkabinetten. Dat doet niets af aan de waarde van de collectie en de prachtige en verzorgde wijze waarop deze op verdieping 7 en 8 tentoongesteld is.

Het MAS is een succes; op de site (http://www.mas.be/) wordt gemeld dat de bezoekersaantallen alle verwachtingen overtreffen: half november na zes maanden een bezoekersaantal van 600.000. Eind dit jaar: 700.000 bezoekers. Ook niet betalende bezoekers kunnen het markante gebouw in en op. Stapel 10 is een voor iedereen toegankelijk dakterras, met een wijds panorama over de prachtige en levendige stad Antwerpen, dat een schitterende attractie rijker is geworden.

zondag 4 december 2011

Museumpeil in een nieuw jasje; wat nieuwe vormgeving kan doen

Nieuwe vormgeving van bladen en tijdschriften is een noodzaak. Na een aantal jaren is de rek er een beetje uit en oogt het blad meer en meer gedateerd. Als lezer associeer je dat met stilstand, hier gebeurt niets meer en die stilstand komt neer op achteruitgang. De redactie van Museumpeil, vakblad van en voor museummedewerkers, vond dat ook. De oude vormgeving knelde en voelde als beperking. Er was nog een andere aanleiding om de vormgeving te vernieuwen: het blad zal binnenkort meer abonnee's moeten gaan werven om zelfstandig te kunnen blijven voortbestaan. Provinciale subsidies om het blad gratis aan musea ter beschikking te stellen zullen gaan afnemen of worden afgeschaft.
Met een lijstje aan voorwaarden en wensen is de redactie (waarvan ik hoofdredacteur ben) op pad gegaan bij vier vormgevers in Nederland en Vlaanderen. Het moest een serieus, te bewaren en na te slaan vakblad blijven, met iedere aflevering een thema. Wel full colour, en met overzichtelijke rubrieken zoals dossier, actueel, opinie, onderzoek, nieuws en dergelijke. De pitch onder de vormgevers heeft tot een nieuwe vormgeving geleid die er wezen mag. Eigenlijk zijn in de nieuwe vorm alleen het formaat, het aantal bladzijden en de suggestie van de peilschaal gebleven. Toevallig gaat het nummer dat nu zal gaan verschijnen ook nog eens over nieuwe media (sociale) in musea. Wij als redactie lijken ons met dit onderwerp en de nieuwe vormgeving plotsklaps ook wel weer jong en fris te voelen....

Binnenkort verschijnt nummer 36 van Museumpeil.  Het heeft een oplage van 2600 exemplaren en wordt uitgegeven door het Landelijk Contact Museumconsulenten (LCM), in samenwerking met de Vlaamse collega's van FARO en de provinciale consulentschappen. Abonnementen (22,50 euro) zijn te bestellen bij de Museumfederatie Fryslan (http://www.museumfederatiefryslan.nl/) en in Vlaanderen bij FARO (http://www.faronet.be/). Losse nummers kosten 12,50 exclusief verzendkosten.  

woensdag 2 november 2011

Kwaliteitszorg: past dat bij de culturele ondernemer?

Els Thijssen, voorvechter van invoering van kwaliteitszorg in musea met Qmus, stelde onlangs de volgende vraag: 'Musea moeten zich steeds meer als cultureel ondernemer profileren. Dat vereist een professionele bedrijfsvoering. Maar staat dat de broodnodige creativiteit en passie niet in de weg?' 
Ik dacht direct aan de uitdrukking: ' In der Beschränkung zeigt sich der Meister'. Misschien moet je het eerder zo zien: vele componisten hebben met passie en creativiteit prachtige werken gecomponeerd, waarbij vorm, vormentaal en kader gewoon vaststonden. En waarom zouden creativiteit en passie altijd geassocieerd moeten worden met bandeloosheid, anarchie en prettig gestoord? Ik ken gepassioneerde boekhouders, bevlogen accountants, enthousiaste juristen en vindingrijke adviseurs kwaliteitszorg. En ik ken dus ook beroemde musea en museumdirecteuren die binnen bestaande kaders hun stempel op de museumsector hebben gezet, en hun vensters naar de wereld hebben geopend. Een goede werkwijze staat creativiteit niet in de weg zolang betrokkenen en stakeholders de grenzen en mogelijkheden waarbinnen musea zich willen of moeten bewegen kennen en erkennen, en zolang zij zich op de vingers willen laten kijken door collega's en door het publiek. Dat laatste, op de vingers gekeken worden, is bij veel kwaliteitsprojecten, visitaties en evaluaties helaas behoorlijk uit de hand gelopen door de papierwinkel die dat met zich meebrengt. Veelal te wijten ook aan financiele belangen die een eerlijke beoordeling van eigen functioneren onder druk zetten. Maar ook op de weg van de ondernemer zijn veel beren die bijvoorbeeld een snelle introductie van een product of de productie ervan in de weg staan. En dan zijn we terug bij af, want waar komen dus veel van die normen en kwaliteitssystemen nu eigenlijk vandaan? Juist: uit het nu zo geprezen bedrijfsmatige ondernemerschap, waar ISO-normering, procesbeschrijvingen, medewerkertevredenheid of pdca-cyclus bon ton zijn. De museumfabriek mag dan 'creative' willen zijn, maar het blijft wel creative industry.