donderdag 29 mei 2014

Collectiewaardering en maatschappelijke waardering van musea; ze kunnen niet zonder elkaar

Het is goed om tijdens de dagelijkse strijd om het culturele bestaan af en toe een moment van bezinning in te lassen. Een overzichtsartikel van Alexander Van der Stichele, ‘Over de waarde en maatschappelijke relevantie van musea’[1], helpt ons enige kritische afstand te nemen. Nu kunst en cultuur onder druk staan, en er in deze ‘ver-economiseerde’ tijd steeds vaker aan kunst en cultuur gevraagd wordt naar legitimatie, is het goed om te lezen hoe onderzoekers aan universiteiten, zoals Arjo Klamer of John Holden, het slagveld beschouwen. Waarde-toekenningen – economisch, maatschappelijk, sociaal, zelfs intrinsiek relevant - , een verschijnsel dat nu ook de Vlamingen met publicatie van het rapport ‘De Waarde van Cultuur’ [2] meer en meer zal gaan aanraken, houden volgens Van der Stichele een reëel gevaar in. Het is meegaan in de opvatting van ‘instrumentalisering’, die ervan uitgaat dat cultuur altijd meer nut dan intrinsieke waarde moet hebben. Op korte termijn is dit misschien interessant, maar op de lange termijn zal de culturele partij toch het onderspit delven. Want, zo schrijft Van der Stichele, ‘de economische en zelfs sociaal-maatschappelijke impact van kunst en cultuur zal altijd beperkt blijven in vergelijking met die in andere maatschappelijke domeinen’. De instellingen die zich bedreigd voelen schieten bijna vanzelf in de defensieve reflex, waarbij ze niet zelden hetzelfde idioom en gelijke argumentatiewijze en gewoontes gaan gebruiken als hun ‘belagers’.  Deze auteur pleit voor uitgaan van eigen kracht en voor het hanteren van een ‘specifiek waardenkader voor cultuur’ waarmee het maatschappelijk belang en de ‘public value’ van musea onomstotelijk kunnen worden aangetoond. Daar zijn we het van harte mee eens.
Aan de andere kant valt de huidige wendbaarheid van musea wel te prijzen. De omslaande houding ten opzichte van ‘weerloze’ kunst heeft musea alert gemaakt. En dat heeft direct positieve gevolgen voor hun publieksbereik, voor hun herkenbaarheid en hun rol in cultuurparticipatie, educatie, toerisme en maatschappelijk welzijn.  Samenwerking tussen musea onderling en van musea met instellingen uit andere maatschappelijke geledingen is nu het credo; strategische allianties vormen  nu de barricades tegen verdere bezuinigingen en moeten de nieuwe verdienmodellen inspireren.

Het is alweer een jaar geleden dat de Rijksdienst Cultureel Erfgoed de waarderingsmethodiek voor museale collecties en objecten ‘Op de museale weegschaal’ lanceerde. De redactie van Museumpeil zag voldoende aanleiding om naar aanleiding hiervan een rondje langs de velden te doen: hoe zijn de ervaringen en helpt de methodiek ook bij het verstevigen van de positie van musea in het maatschappelijke krachtenveld? In de redactionele discussies bleek al snel dat de waardering van collecties niet los gezien kan worden van de waardering van musea. Een punt waar vooral onze Vlaamse collega’s op wezen: een door een museum volvoerd waarderingstraject is geen garantie voor een navenante beoordeling of waardering door het publiek of door andere stakeholders of beleidsmakers. Daarom is het thema van dit nummer niet beperkt tot de waardering van collecties, maar is ook waardering door publiek en politiek in een aantal artikelen aan de orde. Er zijn een paar goede voorbeelden in dit nummer van hoe je de waarde van musea of presentaties ten voordele kunt inzetten, bijvoorbeeld voor uitbreiding en verbouwing. Er zijn ook voorbeelden van musea – in dit geval Vlaamse ‘schrijversmusea’  en Kasteel Amerongen – waar de waardering door het publiek een sterke invloed heeft op presentatie en functioneren van musea. Er is een verhelderend interview met Lydia Jongmans van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; ze vertelt de andere kant van het verhaal en gaat in op de argumenten van gemeenten bij bezuinigingen op musea. Daar kunnen veel musea hun voordeel mee doen.
Veel bijdragen in dit nummer zijn persoonlijk getint, een niet te vermijden verschijnsel in de huidige museumwereld waar persoonlijke betrokkenheid van (ex-)medewerkers en van publiek nog steeds heel groot is. Ook die betrokkenheid past in ons thema en we zijn, althans voor dit nummer, daarom niet bezorgd over een mogelijk gebrek aan kritische afstand in die artikelen. Ze drukken namelijk precies uit waar het om gaat: waardering van musea en van museumcollecties blijft gewone mensenwerk.

Museumpeil 41 verschijnt juni 2014. Abonnementen kosten € 22,50, losse nummers 12,50. Opgave en bestellingen bij Erfgoed Brabant Pb 1325 5200 BJ Den Bosch.




[1] In: Faro | tijdschrift voor cultureel erfgoed nr 7 (2014)

maandag 25 november 2013

Musea en duurzaamheid


Het nieuwe nummer van Museumpeil (40) is gewijd aan duurzaamheid in musea en is gevuld met goede voorbeelden en nieuwe initiatieven in Nederland en Vlaanderen.
Op de cover van dit nummer staat het kunstwerk Tempestas van Rudy J. van de Wint (foto: P.J. van de Wint). Het is te zien in het geregistreerde Museum De Nollen in Den Helder, waar Van de Wint in een duingebied een prachtig ‘Gesamtkunstwerk’ heeft gemaakt van zijn beelden en van het duinlandschap waar ze in staan. Ik denk dat ik begrijp waarom het beeld ‘de storm’ heet. Maar ik associeer het beeld met het groene streven, met ‘Going Green’, waar altijd nog hogere doelen in het verschiet liggen. Een stimulerend beeld dus bij het thema duurzaamheid.

In dit nummer worden opvallende uitspraken gedaan. Bijvoorbeeld: ‘duurzaamheid voor musea betekent verankerd zijn in de omgeving; musea moeten dus tegemoet komen aan de behoeften van de samenleving.’ Dat is nog eens wat anders dan de opvatting dat musea  alleen al door hun opdracht, aard en wezen aan duurzaamheid doen. Onze taak is immers behoud van erfgoed en kunst?  Nee, zo eenvoudig ligt het dus niet. Wat museale duurzaamheid dan wel is, heeft ook in onze redactievergaderingen over dit onderwerp tot  stevige discussies geleid. Over groen, zuinig en herbruikbaar waren we het wel snel met elkaar eens, hoewel er nog veel terrein te winnen is op dit gebied. Hoe dan ook:  voor dit nummer waren al veel goede voorbeelden te vinden: Haagse musea in de milieubarometer van Stichting Stimular, de Plantage Amsterdam met gereduceerde CO₂ uitstoot, het Vlaamse Bokrijk als lichtend voorbeeld met een Green Key, aardverwarmingsinstallaties in nieuwe depots (Fryslân) en nieuwe criteria voor duurzame museumgebouwen (BREEAM).
Maar het Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) van musea. Hoe moeten we dat zien? Hoe vallen bijvoorbeeld bezuinigingen, fusies en reorganisaties in musea nog te rijmen met door de duurzaamheidsdoelstellingen geformuleerde adagia als verantwoord personeelsbeleid, binding met de buurt en een goede ‘work life balance’?  Is een tot reorganisatie, bezuiniging en fusie gedwongen instituut beter op de toekomst voorbereid?  Kan een gesloten museum nog duurzaam zijn? Kan een duurzaam museum toch gesloten worden? Zijn alle wegbezuinigde medewerkers nog goede ambassadeurs?  We hebben in dit nummer  een paar goede voorbeelden van hoe dat duurzaamheidsstreven de medewerkers in musea kan verbinden en enthousiasmeren, al was het maar door de aanleg van een groentetuin (‘potage-toit’) op het dak van de gerenommeerde bibliotheek of door het doorgeven van kennis over oude textielmachines.
Duidelijk is in ieder geval dat een museum - ook een gereorganiseerd museum - zich niet binnen een paar jaar tijd een groen label kan opspelden, zij het dat laaghangend fruit, bijvoorbeeld op het gebied van energiebezuiniging, al direct geoogst kan worden. Nee, het is meer een kwestie van anders gaan denken, een transitieproces dat moet worden ingebed in missie en beleid: ‘going green is a journey, not a destination’ zoals Leon Smets citeert.  Hopelijk is deze Museumpeil daarmee een inspirerende reisgids.

Een jaarabonnement kost € 22,50 Opgave voor Nederland bij Erfgoed Brabant, Postbus 1325, 5200 BJ ‘s-Hertogenbosch. Voor België bij FARO, Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed, Priemstraat 51, 1000 Brussel. Abonnementen lopen per kalenderjaar en dienen voor het einde van het jaar te worden opgezegd.Losse nummers kosten € 12,50 (excl. verzendkosten)



maandag 29 april 2013

Alles van waarde is weerloos: ‘value is in the eyes of the beholder ‘


Onlangs was ik bij een discussie in een gemeenteraad over de waarderingsmethodiek van het gemeentelijk monumentenbeleid. Onderwerp van discussie was een door de gemeente tot gemeentelijk monument bestempeld, vervallen gebouw. Tot aan de Raad van State was de eigenaar gegaan om de monumentenstatus  te voorkomen, omdat dat volgens hem de commerciële ontwikkeling van het bouwproject ernstig zou fnuiken. De Raad van State vond de gemeentelijk vastgestelde systematiek van waardering met een puntensysteem passabel, maar had moeite met de opvatting van de gemeente dat dit gebouw goed te restaureren was. Dat moest eerst maar eens worden aangetoond. Aldus geschiedde. Hierop nam de eigenaar een eigen adviesbureau in de arm, en je raadt de uitkomst al: een veel lagere puntenscore. Wat hierna kwam was het interessantst: sommige raadsleden gebruikten de ontstane onzekerheid om te beklemtonen dat het gebouw gerestaureerd moest worden; andere vonden juist dat er door de patstelling maar eens opnieuw met de eigenaar moest worden onderhandeld. Het puntensysteem is in handen van leken en agnosten een gevaarlijk instrument. Maar gebruikt door ‘deskundigen’ verliest het zijn betekenis direct als die deskundigen er verschillende opinies op nahouden.
Naar aanleiding hiervan  moest ik aan andere gevallen denken waarbij opdrachtgevers (overheden, maar ook particuliere stichtingen) ‘objectief’ bepaalde problemen door externe bureaus in kaart willen laten brengen om daarvoor oplossingen te bedenken.  Ook de waardebepaling van roerende collecties kan namelijk in zo’n scenario terecht komen wanneer overheden zich bijvoorbeeld willen ontdoen van hun verplichting om daarvoor als eigenaar en goed huisvader te zorgen.[1]  Meestal omdat die zorg te duur wordt, of zelfs omdat overheden vinden dat ze daar de deskundigheid niet voor in huis hebben, noch hoeven te hebben.  Ook het standpunt dat gemeenten eigenlijk geen plichten en taken meer zouden moeten hebben bij het beheer van museumcollecties wint meer en meer terrein, zeker wanneer die collecties geen band hebben met ‘Blut und Boden’. Tot slot is er ook nog de druistige, nieuwe museumdirecteur die collecties wil afstoten in het kader van nieuw collectiebeleid.
Toepassing van een soort puntensysteem, of van de systematiek van waardestelling voor roerend erfgoed zoals die momenteel door de RCE wordt ontwikkeld (volgens planning gereed in december 2012 http://www.cultureelerfgoed.nl/projecten/methodiekontwikkeling-waardering ) ligt dan voor de hand en kan zeker oplossingen bieden, maar bergt ook risico's in zich. Onder andere het gegeven dat het middel van ‘democratische waardering’ (iedereen kan de systematiek toepassen) in handen komt van hen die er baat bij hebben die waarde te verlagen of juist te verhogen. Gewoon een kwestie van loven en bieden op de vrije markt, zou je zeggen. Maar hiermee is de systematiek zelf onderdeel geworden van een breder, maatschappelijk waarderingsproces, terwijl hij juist objectieve duidelijkheid en houvast moest geven. Zo is de systematiek niet bedoeld; hij maakt het nu juist ingewikkelder om tot een oplossing te komen, hoewel de ermee gepaard gaande discussies in feite de belangrijkste winst opleveren. De wens tot waardestelling van collecties is daarmee – een beetje filosofisch misschien – het eerste teken dat de waarde die er steeds aan gegeven werd niet meer algemeen aanvaard wordt. Ingaan op die wens, met bijvoorbeeld toepassing van puntensystemen, zal leiden tot het inzicht dat de uitkomsten ervan de wereld alleen nog maar ingewikkelder maken dan hij daarvoor al leek te zijn.



[1] Erg actueel nu het Rijk vele Rijksmonumenten wil afstoten en daarvoor nieuwe eigenaren zoekt.

dinsdag 11 december 2012

Hé?

Ieder museum doet er verstandig aan een incidentenregistratie bij te houden. Dat stelt je in staat om kritisch te blijven kijken naar de risico’s die bezoekers, medewerkers of collectie lopen als gevolg van brand, diefstal, hufterigheid, overstroming en lekkages en bijna-incidenten (gevallen; gelukkig niet kapot....!). Het wordt musea daarbij makkelijk gemaakt: na de laatste grote, rijks-gesubsidieerde projecten om de integrale veiligheidszorg in musea te verbeteren is er een incidentenregister in het leven geroepen: DICE. Deze Digitale Incidentenregistratie Cultureel Erfgoed (zowel voor roerend als onroerend erfgoed) is zodanig ingericht dat iedere deelnemer separaat en anoniem de in zijn instelling plaatsgevonden hebbende incidenten en bijna-incidenten in een database kan invoeren. De beheerders van het register en de eigen medewerkers van het deelnemende museum kunnen met eigen en andermans geanonimiseerde gegevens, mits die regelmatig en liefst in grote frequentie en omvang zijn ingevoerd, een analyse maken waarmee risico’s vervolgens eerder kunnen worden herkend en gewogen. Om het met een voor de hand liggend voorbeeld te illustreren: “Hé, de oudere bezoekers vallen altijd over de laatste traptrede” of “Hé, de kinderen lopen steeds door die glazen deur heen”. Is een beetje flauw, maar ik bedoel maar dat de analyses slechts kunnen worden gemaakt met behulp van observaties, die meestal wel beginnen met: Hé? Een open oog en oor, dus. Het ligt al meer voor de hand te verwachten dat het incidentenregister helpt bij het analyseren van observaties als: “Hé, steeds als de dakbedekker is geweest is er een beginnend brandje” of “Hé, nu is tijdens de verhuizing van de collectie weer een deur van het depot open blijven staan”.
Trouwens: hoe beter de observatie, hoe sneller de oplossing gevonden is. En dan vraag je je af: Waarom incidenten registreren als je de oplossing toch eigenlijk al weet? Daar komt de statistiek om de hoek kijken. Want, hoe meer er van dergelijke incidenten worden vastgelegd, des te groter wordt het risico-bewustzijn van degenen die op de incidenten moeten reageren. En dat zijn vaak niet dezelfde medewerkers als degenen die de observatie en de risico-analyse doen. Maar verder heeft het wel iets van het bijhouden van je huishoudboekje of je gasverbruik: zodra je met registratie beziggaat dient de oplossing zich eigenlijk al aan.
Meer over de registratie in DICE is te vinden op de site van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed onder Monumenten en ‘veilig erfgoed’ (http://www.cultureelerfgoed.nl/node/2609). In 2011 waren er 153 meldingen van incidenten, ingevoerd door slechts 15 instellingen; in 2010 waren dat er 113 door 12 instellingen. Het is dus nog niet echt een succes.
Het is begrijpelijk, maar ook zorgelijk, dat museumdirecteuren eerder geneigd zijn te zeggen dat de alarmeringsinstallatie ‘state of the art’ is, dan dat ze “Hé?” zeggen. Nog zorgelijker, maar om veiligheidsredenen vaak heel begrijpelijk, is het vervolgens dat genomen maatregelen na incidenten (groot of klein) niet altijd openlijk worden toegelicht. Van dergelijke openheid zouden namelijk collega-instellingen veel kunnen leren. 
Het komende nummer van Museumpeil, vakblad voor museummedewerkers in Nederland en Vlaanderen, te verschijnen in juni 2013, gaat over ‘het lerende museum’. Wie durft er een artikel te schrijven over het nut van incidentenregistratie in zijn of haar museum?

vrijdag 20 juli 2012

Het gesloten museum: de Collectie Coppi

Toen ik enige jaren geleden met vakantie was in Garbagna (Italie) bezocht ik de naburige gemeente Castellania, geboorteplaats van de beroemde Italiaanse wielrenner Fausto Coppi (1919-1960). Er is bij zijn graf een groot beeldhouwwerk van hem en van zijn broer Serse (ook wilerenner, gestorven in 1951 na een val in de Ronde van Piemonte).
In het geboortehuis van de Coppi’s is een museum gevestigd. Toen ik er aanklopte bleek het gesloten te zijn. Een man die mij de teksten zag lezen naast de deur riep mij. Hij maakte me duidelijk dat er nog een museum was; daar werkte hij en dat was wel open. Ik ging met hem mee. Daar heb ik vele trofeeën en fietsen van Coppi mogen bewonderen, bijna aanraken zelfs.
Het was me aanvankelijk een raadsel waarom er in dat kleine gat twee musea over Coppi moesten zijn. Maar mijn gids maakte me dat al snel duidelijk. De ‘collectie Coppi’ bestaat uit twee delen: het eerste deel van voor de scheiding met jeugdliefde Bruna Ciampolini, met veel foto’s uit zijn jeugd, en met zijn eerste prijzen en fietsen. Deze bevindt zich in zijn geboortehuis, gerestaureerd en tot museum ingericht in 2000. Het tweede deel van de collectie Coppi is van na zijn scheiding toen hij ging samenwonen met ‘la Dama Bianca’ (Giulia Occhini) voor wie hij zijn vrouw en vijfjarige dochter in de steek liet in 1953. De affaire deed in Italië veel stof opwaaien en de geliefden werden zelfs tot gevangenisstraf veroordeeld. Coppi moest daarna naar Mexico om op geldige wijze met Giulia in het huwelijk te kunnen treden.
Zoals door zijn leven, loopt dus ook door Coppi’s materiële nalatenschap een diepe scheur, veroorzaakt door zijn scheiding. Ik was terechtgekomen in de verzameling uit zijn tweede levensfase.
Ieder jaar nog wordt Fausto Coppi herdacht. Samen met familieleden uit zijn eerste en uit zijn tweede leven. Die gezamenlijkheid gaat voor de collectie kennelijk nog te ver. Ik zal nog eens teruggaan, maar dan in het weekend, als ook het museum in zijn geboortehuis open is.

dinsdag 1 mei 2012

Met I-Tours het verleden opsnuiven

Het zijn er nog niet zo veel, maar het worden er in rap tempo meer: I-tours. Met een gratis app op je I-phone kun je al op meerdere plaatsen wandelingen maken die met behulp van de telefoonapplicatie kunnen worden gelopen, beluisterd en bekeken. De begeleiding wordt ingesproken. U kunt stoppen waar u wilt en dan volgt er een speciaal verhaal over een gebouw, nieuwe architectuur, de vroegere bewoners van een pand, of zo u wilt een filmpje, foto of geluidsfragment. Ze zijn er al in Almere, Bergen, Breda, Monnickendam, Purmerend, Utrecht, Haarlemmermeer en Alkmaar (zie www.itour360.com/itours ). De lengte van de wandelingen varieert: van 3 (Monnickendam) tot 13 kilometer (Haarlemmermeer). Maar je bent natuurlijk niet verplicht om de gehele wandeling af te maken. Wie nog geen smartphone heeft kan er een huren bij de plaatselijke VVV. Wie I-Tours op zijn telefoon gratis gedownload heeft kan daarna - tegen betaling, dat wel - inloggen op een wandeling.


Voor Edam mocht ik de binnenkort te verschijnen wandeling samenstellen. En dat is heel wat anders dan een klassieke stadswandeling ontwerpen. In mijn geval ging het initiatief uit van de VVV Laag Holland; deze organisatie heeft met de wandelingen in deze regio een tamelijk brede doelgroep op de korrel. Dat betekent in dit geval: niet te diep ingaan op bepaalde onderwerpen. Maar juist voor wie aan de vraag naar meer specifieke of specialistische informatie wil voldoen met deze I-tours is deze methode erg geschikt. Met tekst, beeld en geluid kun je als het ware de huizen en kerken met je smartphone binnendringen: achter de gevel komt een wereld tot leven met behulp van deze app. Muziek van het orgel, korte fragmenten van concerten of klokkenspel, interviews met bewoners en nadere uitleg door een kenner: het is allemaal mogelijk. Hoewel? De Edamse wandeling staat in het teken van de Edammer kaas en zijn pakhuizen; daar kun je op veel plaatsen met de app van alles over opsteken. Maar voor de geur van de kaas, daarvoor moet je je nieuwsgierige neus toch echt tegen de kieren van de deur houden. En vervolgens diep snuiven.

vrijdag 30 maart 2012

De Matthäus Passion in de Grote Kerk van Edam; eigenlijk niets bijzonders….

De laatste jaren zijn er veel uitvoeringen van de Matthäus Passion van Johann Seb. Bach (bwv 244); het is een echte hit geworden. En het succes blijft lang niet alleen maar beperkt tot de originele versie en alle denkbare varianten daarvan; er zijn ook hertalingen in het Nederlands (en daar zelfs weer een vertaling in het Fries van), jazz-uitvoeringen en meezingprojecten. Wanneer je de Bach-agenda bestudeert (www.bachagenda.nl) zie je in de passietijd de enorme hausse aan uitvoeringen, ook in Noord-Holland. Daarbij denk je natuurlijk eerst aan de gerenommeerde uitvoering in Naarden, maar die staat er nog niet eens op. Misschien wel een weloverwogen beslissing, om ook in de communicatie exclusief te zijn? Waarom pr, als de kerk toch wel vol zit? Verder is de verspreiding over de provincie groot: van Alkmaar tot Hilversum, van IJmuiden tot Enkhuizen, van Laren, via Amsterdam tot Purmerend en zelfs Westbeemster. Er zijn ook ‘Johannessen’, in Monnickendam bijvoorbeeld, en in Amstelveen, en Ouderkerk aan de Amstel en in Amsterdam natuurlijk ook.
In navolging van de Nederlandse Bachvereniging zijn organisaties ook op het idee gekomen om het niet bij één uitvoering te laten; zo treedt het Toonkunstkoor met de Matthäus op in Haarlem, Alkmaar en Amsterdam, en het Holland Boys Choir van Pieter Jan Leusink maakt er een nationale tournee van, met uitvoeringen op een twintigtal locaties. Omwille van kostenbeheersing, efficiency en verspreiding net zo legitiem als de verkoop van klassieke hits door het Kruidvat; er is kennelijk vraag, dus voldoe je daar aan.

Tegen deze achtergrond is onze uitvoering van de Matthäus Passion die wij jaarlijks in de Grote Kerk van Edam organiseren eigenlijk helemaal niet zo bijzonder. Het is er één van de vele, kun je zeggen. Zonder artistiek of qua uitvoeringspraktijk schokkende gebeurtenissen of revolutionair vernieuwende opvattingen, en zonder hele beroemde namen onder solisten of bezoekers. Er is ook nog nooit een recensent van een groot, landelijk dagblad geweest. Vinden we niet erg, we hebben liever pr vóór de uitvoering dan erna. Eén keer is het, na lang aandringen, gelukt om in de agenda van NRC Handelsblad te geraken. Maar die publiciteit van één dag, donderdag, voorafgaand aan de uitvoering op Goede Vrijdag is niet effectief. Kruidvat-technieken vragen om huis-aan-huisbladen, en daar is meestal nog wel ruimte voor ons persbericht, als we tenminste ook af en toe willen adverteren.

Waarom dan toch zo’n uitvoering willen organiseren? Om die vraag te beantwoorden eerst wat zakelijke gegevens. Edam had al een traditie van de Matthäus tussen 1945 en 1963. In dat laatste jaar startte echter de langdurige restauratie van de kerk, waardoor de continuïteit van de uitvoering verloren ging. Het begon weer in 1998, en daarna zonder onderbrekingen van 2001 tot en met nu. Er is een Stichting Matthäus Passion Edam; er is een amateurkoor van hoog niveau, het Matthäus Koor Edam, er zijn solisten en een gedreven dirigent die ieder jaar weer willen terugkomen en er is een orkest, The Northern Consort, dat speelt op historische instrumenten. Dan hebben we de Grote of St. Nicolaaskerk, een enorme driebeukige hallenkerk uit het begin van de 15e eeuw van 87 bij 33 meter. Er mogen van de brandweer slechts 900 mensen in, en die zijn er ook ieder jaar. Het gebouw heeft een prachtige akoestiek, het geluid van stemmen en instrumenten draagt ver, maar zonder galm. Er heerst een bijzondere intimiteit. Veel bezoekers kiezen bewust voor een Matthäus-uitvoering in een kerk omdat ze dat passend vinden bij hun idee van Paasviering. Wij als organisatie bidden, zeker bij een vroege paasdatum, ook tot de weergoden: met een dringende wens voor mild voorjaarsweer, om de stookkosten van deze kerk in toom te kunnen houden.

Dat brengt ons op de omzet, waarbij ons uitgangspunt is dat we laagdrempelig willen zijn, geen ‘winst’ willen maken en zo min mogelijk vrijkaarten weggeven. Op een omzet van circa € 42.000,- spenderen we ongeveer 70 procent aan het koor en aan de honoraria voor solisten, directie en orkest. Per minuut kost onze uitvoering € 235,-. Overige grotere posten zijn het drukwerk en de huur van de kerk, podium en stoelen en de verzekering. Catering wordt vanuit de kerk door vrijwilligers verzorgd, en de opbrengsten ervan zijn voor de kerk.

Aan inkomsten genereren we 62 procent van de omzet aan entreegelden. Daarnaast bestaat 15 procent van de inkomsten uit ondersteuning door lokale en regionale bedrijven. Het overige tekort kan gedekt worden met subsidie van de gemeente Edam-Volendam en met substantiële bijdragen en toezeggingen van lokale en landelijke fondsen. De entreegelden willen we zo laag mogelijk houden. Wie de uitvoering financieel extra wil ondersteunen heeft recht op een gereserveerde plaats. We begroten met een tekort, omdat de gemeente alleen in het tekort wil subsidiëren. Er is een legertje van 20 vrijwilligers dat zich bezig houdt met podiumopbouw, stoelen, verlichting, kaartverkoop onder de koorleden, catering voor uitvoerenden, ontvangst en publieksbegeleiding. Binnen het organiserend bestuur van de Stichting Matthäus Passion zijn de portefeuilles verdeeld: sponsoring en subsidies liggen bij voorzitter en secretaris, de kaartverkoop en de financiën bij de penningmeester, de begeleiding van vrijwilligers en coördinatie van uitvoerende werkzaamheden bij een apart bestuurslid evenals de inhoudelijke programmering, contracten met uitvoerenden en de pr (bij ondergetekende). Het koor beschikt over een stuurgroep die zich bezig houdt met de organisatie van repetities, audities en de samenstelling van het koor.

Vanwege het succes hebben we overwogen om een tweede uitvoering te organiseren; dat scheelt in de kosten en er is veel vraag. De laatste jaren was de kerk twee weken van tevoren al uitverkocht. We hebben daarom publieksonderzoek gedaan, en we hebben de stakeholders gevraagd wat zij vonden van een tweede uitvoering. De reacties waren duidelijk: de uitvoering is uniek en van grote muzikale kwaliteit. Dag - Goede Vrijdag - en plaats - Grote Kerk van Edam - worden met de Matthäus Passion geassocieerd. Een tweede uitvoering beconcurreert de eerste en enige echte: niet doen dus.

Tenslotte profiteert ook onze organisatie van nieuwe technieken: via de website (www.matthaus-passion.com) kun je kaartjes kopen; een barcode op een zelf geprint a-4tje is het uniek entreebewijs. We leren daarmee ook ons publiek beter kennen. Ieder jaar wordt de groep belangstellenden via e-mail tijdig op de hoogte gebracht van de komende uitvoering.

Niets bijzonders dus, want wat in Edam gebeurt, gebeurt overal in Nederland, en niet alleen bij het organiseren van concerten. Waarom ben ik, en velen met mij, dan toch zo enthousiast om hier mee bezig te zijn? Omdat het resultaat een inspirerende uitvoering is van een prachtig oratoriumwerk in een monumentale kerk voor een muisstil en dankbaar publiek. The proof of the pudding is in the eating: kom zelf maar eens proberen, velen gingen u voor.

Ga naar http://www.matthaus-passion.com/ voor meer informatie over de uitvoering.
De Matthäus Passion Edam is ook op Facebook: http://www.facebook.com/MatthausPassionEdam